Dashboard Arbeid & Gezondheid

 

 

 

 

Stadspoli Maastricht:

 

Met het vestigen van de Stadspoli is er in Maastricht een nieuwe vorm van zorg gerealiseerd, namelijk Blauwe zorg. Dit is hèt voorbeeld om te komen tot een gezondheidszorgsysteem dat verantwoorde, kwalitatief hoge zorg levert en een systeem dat duurzaam en betaalbaar is. Het gaat om een regionaal experiment dat in samenwerking tussen HHet is een initiatief van de huisartsenorganisatie ZIO (Zorg In Ontwikkeling), het MUMC, zorgverzekeraar VGZ en patiëntenorganisatie Huis voor de Zorg wordt uitgevoerd. Het Ministerie van VWS heeft Blauwe Zorg aangewezen als proeftuin. Een van de zwaartepunten is de samenwerking tussen de eerste- en tweedelijnszorg. Naast kwaliteitsverbetering wordt zorg goedkoper, verwijzing naar een duur ziekenhuis is in een substantieel deel van de gevallen overbodig. Het gaat ook niet ten koste van het eigen risico. Een bezoek aan de Stadspoli is laagdrempelig. Mensen kunnen snel terecht bij een groeiend aantal specialisten: dermatoloog, neuroloog, internist, oogarts, reumatoloog, orthopeed en de KNO-arts. De huisarts kan ook weer snel verder met behandelen. Ook vanuit sociaalgeneeskundige perspectief biedt deze efficiënte vorm van zorg voordelen doordat mensen bij ziekteverzuim sneller geholpen kunnen worden waardoor de verzuimduur positief beïnvloed kan worden.

 

Geplaatst: 29-12-2014

 

(bron: parlementairemonitor.nl, 15-05-2013, nummer KSAT3262085)

 

Oratie Hans Bosma, hoogleraar Sociale Epidemiologie, 16 december 2014

 

Sociaaleconomische gezondheidsverschillen blijven in Nederland een groot probleem, ondanks allerlei vergaande interventies om deze verschillen kleiner te maken. Nederland is relatief welvarend, maar nog altijd geldt dat mensen met lagere opleidingen en lagere inkomens zeven jaar korter leven dan mensen met een hoog opleidingsniveau. “Dat kortere leven wordt ook nog eens vijftien jaar langer doorgebracht met beperkingen, en er lijkt te weinig met deze kennis gedaan te worden”, zegt hoogleraar Sociale Epidemiologie Hans Bosma. Op 19 december aanvaardt hij formeel zijn leerstoel met het uitspreken van zijn oratie getiteld ‘Sociale epidemiologie: schipperen tussen upstream en downstream’. Daarin pleit hij voor meer fundamenteel onderzoek naar de oorzaken van sociaaleconomische gezondheidsverschillen.

 

Bosma is van mening dat er een betere verklaring moet komen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen, om het probleem effectief te kunnen aanpakken. “De huidige interventies zijn gebaseerd op onvolledige informatie. Jammer is dat het huidige onderzoeksklimaat vooral gedomineerd wordt door interventie- in plaats van fundamenteel onderzoek. De uitkomsten moeten direct van toepassing zijn en liefst binnen vier jaar geëvalueerd en geïmplementeerd. Dat is niet realistisch bij een dergelijk complex probleem”, aldus Bosma.

 

De hoogleraar vindt bijvoorbeeld dat individuele factoren, zoals intelligentie- en persoonlijkheidsverschillen (downstream factoren) nog onvoldoende onderzocht zijn in relatie tot sociaaleconomische gezondheidsverschillen. “Al op jonge leeftijd zijn er, los van sociaaleconomische achtergrond, verschillen in persoonlijkheid en intelligentie. Ook afhankelijk daarvan ontwikkelen mensen zich verschillend, krijgen ze later een goed of laag inkomen en blijven ze lang of minder lang gezond. Als dergelijke factoren een belangrijke rol spelen in de (latere) levensloop van mensen, wat betekent dit dan voor interventies? Zijn sociaaleconomische verschillen dan wel zo makkelijk veranderbaar?”

 

Verantwoordelijkheid niet alleen binnen individu

Het is bekend dat in lagere sociaaleconomische milieus bepaald gedrag vaker voorkomt (zoals meer roken en minder lichaamsbeweging), maar dat is volgens Bosma zeker niet het gehele verhaal. Hij wil, naast individuele risicogedragingen, ook blijven wijzen op het belang van verschillen in omgevingsfactoren (upstream factoren), om verantwoordelijkheid voor (on)gezondheid ook buiten het individu te leggen. De hoogleraar doelt daarbij niet alleen op zaken als woon- en werkomgevingen, maar ook op de verdere maatschappelijke context, gekenmerkt door toenemende inkomensongelijkheid en negatieve beeldvorming over mensen onderaan de sociale ladder. “We leven in een tijd waarin een groter beroep wordt gedaan op mensen zelf en hun netwerken. De aanstaande veranderingen in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en de Wet Langdurige zorg vragen om zelfredzaamheid, mantelzorg en (grotere) eigen bijdragen. Niet iedereen kan daaraan voldoen; gezondheidsverschillen nemen daardoor alleen maar verder toe”, aldus Bosma.

Maastricht UMC+ en Universiteit Maastricht partner in groot internationaal kennisconsortium

 

11 december 2014

 

De Universiteit Maastricht en Maastricht UMC+ participeren in het grote Europese kennisconsortium InnoLife. Innolife is door het European Institute of Innovation and Technology vandaag benoemd tot Knowledge and Innovation Community voor het thema gezondheid. Het is een consortium van 144 Europese bedrijven, onderzoeksinstituten en universiteiten dat zich richt op de ontwikkeling van innovatieve producten, educatie en diensten om de demografische veranderingen in Europa het hoofd te kunnen bieden. Uiteindelijk moet dat leiden tot een langer en gezonder leven voor de Europese burger.

 

Het European Institute of Innovation and Technology (EIT) is sinds 2008 het onafhankelijk orgaan van de Europese Unie om innovatie en ondernemerschap te stimuleren. In zogeheten Knowledge and Innovation Communities (KIC) worden onderzoeksinstituten, het bedrijfsleven en universiteiten samengebracht door het EIT om die innovaties op diverse thema's te realiseren. Op het gebied van gezondheid is InnoLife door het EIT gekozen als de leidende kennisgemeenschap en wordt ondergebracht onder EIT-Health. EIT-Health is met een budget van 2,1 miljard euro een van de grootste publiek gefinancierde initiatieven voor gezondheidsbevordering wereldwijd.

 

Vanuit Nederland maken diverse partijen deel uit van dat internationale consortium: de bedrijven Philips en Achmea, het onderzoeksinstituut TNO en de Universitair Medische Centra van Rotterdam, Leiden, Groningen en Maastricht. Andere grote internationale partners zijn de universiteit van Oxford, IESE Business School, Intel, Siemens en Medtronic. Om de vele projecten te initieren en te cooerdineren wordt een nieuwe organisatie opgericht met een hoofdkwartier in Muenchen. Nationale activiteiten worden voor de Benelux gecooerdineerd vanuit Rotterdam, waarvan prof.dr. Bart Haex van de Universiteit Maastricht secretaris is. Haex heeft als directeur van de EIT-Health aanvraag tevens een belangrijke rol gespeeld in de benoeming van InnoLife als kennisconsortium.

 

Het is uiteindelijk de missie van InnoLife om ondernemerschap te stimuleren en nieuwe innovaties te ontwikkelen op het gebied van gezond leven en active ageing. InnoLife zal de komende zeven jaar door de ontwikkeling van innovatieve producten, diensten en concepten de kwaliteit van leven en de duurzaamheid van de zorg voor de Europese gemeenschap gaan vergroten. Daarvoor wordt jaarlijks 80 miljoen euro ter beschikking gesteld door het EIT om nieuwe samenwerkingen, educatie en projecten te subsidieren.

 

Meer informatie over InnoLife is te vinden via: www.inno.life

 

Bron: www.maastrichtuniversity.nl/news